
Jurisprudentie
AB2108
Datum uitspraak2001-04-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/701 BESLU
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/701 BESLU
Statusgepubliceerd
Uitspraak
President van de Arrondissementsrechtbank's-Gravenhage
sector bestuursrecht
Reg. nr. AWB 01/701 BESLU
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:84
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[verzoeker], zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker,
ten aanzien van het besluit van 11 januari 2001 van het bestuur van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) te Rijswijk, verweerder, waarbij is geweigerd verzoeker toe te laten tot de opvang op basis van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: Rva).
Ontstaan en loop van het geding
Namens verzoeker, die de Iraanse nationaliteit heeft, is op 11 december 2000 een asielaanvraag ingediend. Bij fax van 2 januari 2001 is ten behoeve van hem bij de IND een verzoek om opvang op grond van de Rva ingediend. Hierbij is aangevoerd dat weliswaar sprake is van een herhaalde asielaanvraag, maar dat, nu sprake is van een nieuw asielrelaas, verzoeker desalniettemin voor opvang in aanmerking dient te worden gebracht.
De IND heeft bij schrijven van gelijke datum aan verweerder geadviseerd om verzoeker opvang te verlenen, op grond van het feit dat de echtgenote van verzoeker in Nederland verblijft. Bij schrijven van 17 januari 2001 heeft verweerder aan de IND laten weten dat het enkele feit dat verzoekers echtgenote in Nederland verblijft en opgevangen wordt onvoldoende reden vormt voor verweerder om verzoeker opvang te verlenen. Verweerder heeft de IND daarom verzocht om zijn advies, mede gelet op nader ontvangen informatie met betrekking tot verzoekers situatie, te onderbouwen met een oordeel over de aan- dan wel afwezigheid van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden. Bij brief van 31 januari 2001 heeft de IND aan verweerder medegedeeld, dat verzoeker op 31 januari 2001 is gezien door een arts en dat niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan opvang is geïndiceerd. De IND heeft verweerder op grond hiervan, in tegenstelling tot zijn eerdere advies, geadviseerd verzoeker niet voor opvang in aanmerking te brengen.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder geweigerd om verzoeker opvang te verlenen, op grond van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, Rva. Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 14 februari 2001 bezwaar gemaakt. Voorts is namens verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 26 maart 2001. Namens verzoeker is verschenen mr. J. Broersen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Leiden
Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. M.J. van der Gaag.
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Namens verzoeker is aangevoerd dat weliswaar sprake is van een herhaalde asielaanvraag, maar dat verzoeker, na zijn uitzetting uit Nederland in 1997, in zijn land van herkomst langdurig gevangen heeft gezeten en meerdere malen is gemarteld. Verzoeker is op grond hiervan van oordeel dat het onderhavige asielverzoek los moet worden gezien van zijn eerdere aanvragen in 1994 en 1997 en dat derhalve niet kan worden gesproken van een herhaalde asielaanvraag in de zin van artikel 4, tweede lid, Rva.
Subsidiair is aangevoerd dat verzoeker voor opvang in aanmerking dient te worden gebracht, omdat in zijn geval sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden. Namens verzoeker is hiertoe gewezen op de gevolgen die verzoeker nog steeds ondervindt van de martelingen die hij in Iran heeft ondergaan. Voorts is erop gewezen dat verzoekers -in de opvang verblijvende- echtgenote aan een posttraumatische stressstoornis lijdt en dat het om die reden zeer gewenst is als verzoeker in haar nabijheid is.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu verzoeker reeds eerder, op […] […] 1994 en […] […]1997, asielaanvragen heeft ingediend, hij op grond van artikel 4, tweede lid, Rva niet voor opvang in aanmerking komt.
Uit onder meer de toelichting bij deze bepaling blijkt volgens verweerder duidelijk de strekking ervan, die erop neerkomt dat niet van belang is op welke gronden de herhaalde asielaanvraag wordt ingediend, aangezien bedoeld is om aan geen enkele herhaalde asielaanvraag een recht op opvang te verbinden. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat de Rva een ministeriële regeling betreft, zodat verweerder niet over een inherente afwijzingsbevoegdheid of beoordelingsruimte beschikt. Na ontvangst van het advies van de IND dient verweerder slechts een marginale toetsing te verrichten of aan de vereisten van de Awb is voldaan. Volgens verweerder heeft hij derhalve niet de bevoegdheid om louter op grond van het feit dat de betrokkene is teruggekeerd naar het land van herkomst en daar heeft bloot gestaan aan vervolging, van deze bepaling af te wijken. Verweerder heeft erop gewezen dat alleen een uitzondering op genoemde bepaling wordt toegestaan indien sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden; daarvan is volgens verweerder echter niet gebleken.
De president overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is het COA belast met de uitvoering van de centrale opvang van asielzoekers.
Artikel 12 van de Wet COA bepaalt dat de Minister regels kan stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, in een opvangcentrum.
De Minister (Staatssecretaris) van Justitie heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de vaststelling van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva).
In artikel 4, tweede lid, Rva is bepaald dat een tweede of volgende asielaanvraag geen recht geeft op opvang. Blijkens de toelichting op deze met ingang van 12 oktober 1998 gewijzigde bepaling (Stcrt.1998,194) is met deze tekst tot uitdrukking gebracht dat het recht op opvang uitsluitend is gerelateerd aan de eerste asielaanvraag. In een brief aan verweerder van 22 oktober 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie aangegeven dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden, niettemin van deze bepaling kan worden afgeweken. In deze brief heeft de staatssecretaris aangegeven dat op voorhand geen uitputtende opsomming kan worden gegeven van voorbeelden van dergelijke omstandigheden, doch dat daarbij met name moet worden gedacht aan medische omstandigheden waarin, ten behoeve van direct medisch noodzakelijke noodhulp, opvang van de desbetreffende vreemdeling en/of zijn gezinsleden noodzakelijk is.
Niet in geschil is dat verzoeker reeds eerder, in 1994 en in 1997, een asielaanvraag heeft ingediend. Naar het oordeel van de president heeft verweerder terecht vastgesteld dat thans sprake is van een herhaalde asielaanvraag. Om die reden heeft verzoeker, ingevolge artikel 4, tweede lid, Rva, geen recht op opvang. De president acht voorts het door verweerder gevoerde beleid, dat slechts in geval van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden een uitzondering op deze bepaling wordt gemaakt, in beginsel niet onredelijk. Niettemin is de president van oordeel dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin een onverkort vasthouden aan dit (strikte) beleid in strijd moet worden geacht met het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Verweerder is gehouden bij zijn besluitvorming aan dit en andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur te toetsen. In casu acht de president zodanige omstandigheden aanwezig. Deze zijn naar zijn oordeel gelegen in verzoekers asielrelaas in samenhang met het door de Nederlandse overheid gevoerde uitzettingsbeleid ten aanzien van uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers in 1996/1997.
Verzoeker is, blijkens de stukken, op […] […] 1997 uitgezet naar Iran. Dit was na een periode dat er in Nederland politieke deining was ontstaan over het Nederlandse uitzettingsbeleid ten aanzien van uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers. De Nederlandse overheid stelde zich op het standpunt dat uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers naar hun land van herkomst konden worden uitgezet, omdat Iran in die periode veilig werd bevonden. Ter controle en ter bescherming van deze naar Iran uitgezette uitgeprocedeerde asielzoekers zou een systeem van 'monitoring' worden toegepast, waarbij betrokkenen door tussenkomst van de Nederlandse ambassade in Teheran na aankomst in Iran enige tijd zouden worden gevolgd. Achteraf echter bleek dat deze maatregel in de praktijk niet op de beoogde wijze kon worden uitgevoerd, omdat de Iraanse autoriteiten weigerden hieraan medewerking te verlenen. De 'monitoring' zou in feite beperkt blijven tot een eerste opvang van betrokkenen op de luchthaven van Teheran, waarbij zij een telefoonnummer kregen waarop een medewerk(st)er van de Nederlandse ambassade in geval van problemen te allen tijde bereikbaar was.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij na zijn terugkeer in Iran aldaar gevangen is genomen en meerdere malen is gemarteld. De president stelt vast dat de Staatssecretaris van Justitie eisers asielrelaas niet in het aanmeldcentrum als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. De hoofdregel dat aan de motieven van de vreemdeling voor de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag geen betekenis toekomt dient in dit concrete geval uitzondering te lijden. Nu in dit stadium niet valt uit te sluiten dat de Nederlandse overheid in 1997 een onjuiste inschatting heeft gemaakt van het risico dat verzoeker bij terugkeer in Iran zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en het Anti-Folterverdrag, verdragen waarbij Nederland partij is, brengt een humanitaire bejegening van verzoeker mee, dat hem voorshands opvang en andere voorzieningen van de Rva worden geboden, in afwachting van de beslissing op zijn bezwaarschrift.
De president is zich hierbij bewust van de omstandigheid dat verweerder geen gedetailleerd inzicht heeft in het lopende asieldossier van verzoeker, zodat het de voorkeur zou verdienen indien, in een uitzonderlijk geval als dit, de IND de betrokken asielzoeker in het kader van een tweede of volgende asielaanvraag in afwijking van het geldende, in de bestuursrechtspraak aanvaarde, strikte beleid voor opvang bij verweerder zou aanmelden.
Concluderend ziet de president in de omstandigheden van dit geval, bezien in samenhang met het eerdervermelde beleid van de Nederlandse overheid in de periode 1996/1997 ten aanzien van Iraanse uitgeprocedeerde asielzoekers, aanleiding om het bestreden besluit, waarbij verweerder onverkort toepassing geeft aan zijn beleid dat alleen in geval van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden in de hiervoor vermelde zin kan worden afgeweken van artikel 4, tweede lid, Rva, strijdig te achten met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, uit welke bepaling volgt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De gevraagde voorziening moet dan ook worden toegewezen. Gelet hierop behoeft verzoekers subsidiaire grief geen bespreking meer.
Gelet op het voorgaande is er aanleiding om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op verzoekers bezwaarschrift.
Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten, die, op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op f. 1.420,--, waarbij 1 punt wordt toegekend voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en de zwaarte van de zaak is bepaald op gemiddeld. Aangezien verzoeker heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging dienen deze kosten te worden betaald aan de griffier. Tenslotte dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de datum van verzending van het besluit op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van f 1.420,--, welke kosten het COA als rechtspersoon aan de griffier dient te vergoeden;
- bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten f 225,--, vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2001 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.Z.C. Koutstaal.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op:
??

